Hij werd opnieuw opgeroepen later in het jaar 1939, hij had pas zijn reguliere legerdienst beëindigd op 01/07/1939. Gedurende de volgende negen maanden was hij onder andere te Sint Denijs Westrem, Astene, Drongen, De Pinte en Nazareth. Dan mocht hij eindelijk met verlof.
Toen de oorlog op 10 mei 1940 uitbrak, meldde hij zich opnieuw aan bij zijn eenheid en kwam hij in Schelde terecht bij zijn compagnie. Ze werden onmiddellijk langs het kanaal ingezet. Na vijf dagen kregen ze het bevel hun stellingen te verlaten en moesten ze achteruit trekken richting Albertkanaal. Na enkele kilometers konden ze het kanaal oversteken via een noodbrug en uiteindelijk kwamen ze te Antwerpen aan. Vandaar trokken ze verder over Gent en Lokeren naar Sleidinge en Ronsele. Daar werd hun eenheid samengevoegd met andere Linieregimenten aan het Schipdonkkanaal. De volgende morgen werden ze eerst beschoten en daarna overmeesterd door een Duitse overmacht. Zo werd hij krijgsgevangen genomen.
In colonne werden ze weggeleid door Duitse soldaten richting Antwerpen over Lokeren. Ondertussen was het 26 mei geworden. Op 27 mei stapten ze verder naar Brasschaat en op 1 juni te Kalmthout. Daar werden ze op treinwagons geladen naar onbekende bestemming.
Op 7 juni kwamen ze aan in het station van Hemer, een 60-tal kilometer ten oosten van Düsseldorf en moesten ze te voet naar een nabijgelegen kamp stappen waar ze een achttal dagen bleven. Opnieuw moesten ze verder Duitsland in met bestemming Stalag IIA in Alten Grabow, ongeveer halverwege tussen Maagdenburg en Berlijn. Daar verbleven ze drie weken.
Na die periode werden hij en anderen overgebracht naar het dorpje Colbitz een vijftien kilometer ten noorden van Maagdenburg waar ze een hele tijd zouden verblijven. In die tijd werden ze ingezet voor het omhakken van bomen om een omheining te maken.
Eindelijk op 18 februari 1941 kreeg hij een officiëel document dat zijn vrijlating bevestigde en kon hij naar huis.