Door het uitbreken van de oorlog bleef hij verder in dienst. Zijn eenheid kreeg de vuurdoop half augustus 1914 te Tienen. Later leverden ze nog slag in de omgeving van Mechelen en Sint Katelijne Waver. Dan trokken ze terug achter de IJzer waar ze al betrokken waren bij de eerste schermutselingen voorafgaand aan de IJzerslag op 18 oktober 1914. Tijdens de IJzerslag viel het gros van hun slachtoffers te Ramskapelle en te Pervijze aan Schoorbakke.
Op 29 januari 1915 werd hij overgeplaatst naar de compagnie Mitrailleurs en in de maanden nadien werden ze ingezet in de verschillende sectoren aan het front : Pervijze, Ramskapelle, Steenstrate, Kaaskerke, opnieuw Steenstrate. Daar werd hij op 26 maart 1916 ziek afgevoerd. Hij bleef weg van het front tot 26 mei 1916, na herstel en nieuwe opleiding bij de Mitrailleurs.
Hij kwam meteen terecht in de sector Pervijze en later Stuivekenskerke, Steenstrate en Diksmuide. Tot 4 augustus 1918 bleef hij bij het 3° Linie waarna hij voor een korte periode overging naar het 14° Genieregiment. Op 23 september 1918 keerde hij terug naar het 3° Linie in de sector Merkem, klaar om deel te nemen aan het bevrijdingsoffensief.
Ze rukten op naar Klerken waar op 28 september heel wat slachtoffers vielen in zijn regiment. Vandaar ging het verder naar Handzame waar hij opnieuw ziek werd geëvacueerd. Op 27 oktober kon hij zijn eenheid opnieuw vervoegen in de omgeving van Aalter. Op 17 november werd hij nog geciteerd in de dagorde en kreeg hij het oorlogskruis opgespeld.
Van 2 februari tot 20 augustus 1919 werd hij ingedeeld bij een compagnie die verantwoordelijk was voor het herstellen van voertuigen getrokken door paarden. Hij werd gedemobiliseerd op 30 september 1919.
Behaalde eretekens (klik op de afbeelding voor omschrijving)