Op 4 augustus 1914 werd hij terug opgeroepen en ingedeeld bij het 4° Vestingsregiment ter verdediging van de fortengordel rond Antwerpen. De Vestingtroepen waren samengesteld uit de oudste klassen van de infanterie 1899-1905 en ze bezetten de intervallen tussen de forten. De opmars van de Duitse troepen was echter niet te stuiten en net als de rest van het Belgisch leger werden ze gedwongen terug te trekken tot achter de IJzer waar ze deelnamen aan de IJzerslag in de omgeving van Pervijze.
Op 1 november 1914 ging hij over naar het 4° Linieregiment dat toen ingezet werd in de sector Ramskapelle en Nieuwpoort. Op 26 maart 1915 werd hij ziek en geëvacueerd naar de achterliggende linies. Reeds op 29 maart was hij voldoende hersteld om terug zijn eenheid te vervoegen. De volgende maanden lag hij in de sectoren van Reninge, Zuidschote en Steenstrate.
Vanaf 10 april 1916 werd hij gemuteerd naar de hulptroepen van de Genie en op 15 oktober 1916 ging hij over naar de materiaal- en bagagetrein.
Vanaf 4 februari 1917 nam zijn militaire aanwezigheid aan het front een onverwachte wending. Op die datum ging hij in verlof zonder soldij bij de bevoorrading met standplaats te Veurne in de meelfabriek Florizoone. Hij bleef daar tot 3 november 1917 en werd dan 10 dagen opnieuw ingedeeld bij de hulptroepen van de Genie. Dan was hij opnieuw in de meelfabriek Florizoone tot 11 september 1918.
Hij ging terug over naar de hulptroepen van de Genie en vanaf 26 oktober 1918 tot zijn onbepaald verlof opnieuw bij de materiaal- en bagagetrein.
Op 1 april 1919 mocht hij met onbepaald verlof.
Behaalde eretekens (klik op de afbeelding voor omschrijving)