Op 10 juli 1916 werd hij te De Panne opgeroepen. In eerste instantie werd hij te Rouen in observatie gehouden wegens zijn verminderd zicht. Op 10 juli werd hij naar het 2° Opleidingscentrum te Honfleur gezonden waar hij bleef tot 30 oktober 1916. Vanaf 31 oktober tot 25 november was hij te Calais waar hij een verdere opleiding als artillerist volgde in het Opleidings- centrum voor Loopgravenartillerie. Hij leerde er werken met 75 mm kanonnen.
Op 26 november 1916 kwam hij aan het front bij het 9° Artillerie. Hij zou er bijna een jaar bij blijven en ondertussen gelegerd worden in verschillende sectoren waaronder die van Boezinge.Op 30 oktober 1917 geraakte hij gekwetst aan het hoofd en werd hij geëvacueerd naar het militair hospitaal te Calais waar hij zou blijven tot 19 november 1917. Toen werd hij voor een tiental dagen, tot 30 november, terug naar het opleidingscentrum voor Loopgravenartillerie gezonden.
Vanaf 1 december 1917 was hij opnieuw aan het front maar nu bij het 8° Artillerie te Pervijze. Reeds op 1 februari 1918 werd hij overgeplaatst naar het 14° Artillerie waarbij hij bleef tot eind juli 1918. Vanaf 28 juli werd hij ingedeeld bij het 2° Artillerie dat toen mogelijk te Pervijze was gelegerd. Vandaar werd het bevrijdingsoffensief ingezet dat hem naar Maldegem en Zomergem bracht.
Uiteindelijk werd hij met definitief verlof gezonden op 21 oktober 1919.
Behaalde eretekens (klik op de afbeelding voor omschrijving)