Hij nam vrijwillig dienst op 23/04/1918 en werd ingedeeld bij het Spoorwegregiment als 'piocheur' of spoorwegarbeider voor de tijd dat de oorlog verder duurde.
Het nut van het Spoorwegregiment was onmiskenbaar. Bij het begin van de oorlog was er in de frontzone slechts één bruikbare lijn, namelijk die van Adinkerke naar Diksmuide over een enkel spoor, waarvan de laatste secties te dicht bij de frontlijn lagen om ze veilig te kunnen expoiteren. Daardoor bleef het spoorverkeer beperkt tot Avekapelle. Ook waren er te weinig stations - alleen Veurne en Adinkerke - die bovendien niet geschikt waren voor de opdrachten die aan hen werden toegewezen. het spoorwegbatallion had dus eerst een aantal militair belangrijke lijnen
moeten aanleggen zoals van Adinkerke naar Izenberge. Deze lijn werd later in verschillende etappes verlengd tot Proven waar ze op het Engelse net werd aangesloten.
Intussen waren ook Veurne en vooral Adinkeke verder uitgebreid. Naast de klassieke spoorweginfrastructuur werd ook werk gemaakt van de zogenaamde Decauvillespoorlijnen, een smalspoor met een spoorbreedte van 60 cm. Toen Jerome in dienst kwam was er achter het front reeds een net van meer dan 100 km smalspoor aangelegd.
Na het bevrijdingsoffensief werden de spoorwegarbeiders ingezet voor de bevoorrading van de oprukkende troepen en voor het aanleggen van smalsporen in de dorpskernen van de verwoeste gewesten.
Op 02/01/1919 was hij nog niet gedemobiliseerd want toen vroeg hij zijn overplaatsing naar een andere brigade van het spoorwegregiment om het leggen van sporen te kunnen aanleren.
Op 6 juni 1919 werd zijn contract met het leger verbroken.
Hiertegen werd in beroep gegaan maar dit werd onontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid.
Behaalde eretekens (klik op de afbeelding voor omschrijving)